In 1872, in de gemeente Gaiole in Chianti, introduceerde Baron Bettino Ricasoli de formule voor Chianti Classico. Hij bepaalde dat deze wijn voor 70% moest bestaan uit Sangiovese-druiven, met de resterende 30% bestaande uit een combinatie van Canaiolo- en Malvasia-druiven.
Hoewel deze richtlijnen een belangrijke stap was in het definiëren van Chianti Classico, voelden sommige Toscaanse wijnproducenten zich beperkt door de strikte eisen om de DOC-certificering te verkrijgen. Deze beperkingen leidde tot experimenteren met nieuwe methoden. De rotsachtige bodems van Toscane waren niet optimaal voor Sangiovese, de traditionele druif van de regio. In plaats daarvan bleken ze perfect geschikt te zijn voor het kweken van internationale druivensoorten van de hoogste kwaliteit, zoals Cabernet Sauvignon en Cabernet Franc.
Deze gewaagde experimenten resulteerden in wijnen van uitstekende kwaliteit, vol van smaak en met een lange houdbaarheid. Hoewel deze wijnen niet binnen de regels van de Chianti Classico-aanduiding pasten, creëerden ze een geheel nieuwe categorie: de Super Tuscans. Deze wijnen waren gedurfd, expressief en expressief luidden zij een nieuwe tijdperk in voor de Toscaanse wijnbouw, die de wereld veroverde met hun unieke karakter en uitmuntendheid.